Één op de twintig Nederlanders bang voor inbraak

15 juni 2009

Ruim één op de twintig Nederlanders denkt dat de kans op een woninginbraak groot tot zeer groot is, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2008 is bij ruim één op de honderd daadwerkelijk ingebroken en bij een vergelijkbaar percentage is een mislukte poging tot inbreken gedaan.

Invloed buurt minder dan verwacht
Bewoners van allochtone stadsbuurten schatten de kans op inbraak vier keer zo hoog in dan bewoners van stedelijke buurten met weinig allochtonen. In werkelijkheid is de invloed van de buurt minder groot en wordt er in allochtone buurten twee keer zo vaak ingebroken.

Hetzelfde geldt voor de verlichting: in heel slecht verlichte buurten schatten de bewoners de kans op inbraak vier keer hoger dan in heel goed verlichte buurten. Het effect blijkt ook hier minder groot te zijn: in heel slecht verlichte buurten wordt twee keer zo vaak ingebroken.

De verwachting dat er thuis ingebroken zal worden, hangt ook samen met de hoeveelheid onderling contact in de buurt. Dit komt aardig overeen met de werkelijkheid. Bewoners van buurten waar heel weinig contact is verwachten namelijk ruim twee keer zo vaak dat er bij hen ingebroken zal worden als bewoners van buurten waar heel veel contact is. In deze anonieme buurten wordt ook daadwerkelijk twee keer zo vaak ingebroken.

Kans op herhaling is groot
Bij iemand die in de vier jaar vóór 2008 een inbraak meemaakte, werd in 2008 viermaal zoveel ingebroken als bij iemand bij wie vóór 2008 niet is ingebroken. De angst voor inbraak bij personen die recent een inbraak hebben meegemaakt is echter nog groter. Zij verwachten vijfmaal zo vaak dat er bij hen wordt ingebroken.

  • De volledige cijfers over de subjectieve en objectieve kans op inbraak in 2008 zijn te downloaden op de website van het CBS.
Politiekeurmerk CCV